Hond

Hond

De hond, de beste vriend van de mens, is er in vele soorten en maten en stamt af van de wolf.
BlogContactgegevens

De hond (Canis lupus familiaris) stamt af van de wolf en is een roofdier uit de familie van de hondachtigen (Canidae). Hij komt op alle continenten voor, meestal in gezelschap van de mens. Al sinds duizenden jaren wordt de hond gebruikt voor bewakingstaken, bij de jacht, als herdershond en als trekdier. Nog steeds heeft hij werk als politiehond of hulphond, maar de meeste honden worden tegenwoordig gehouden als gezelschapsdier.

Dierenkliniek Tiel-Drumpt: In deze tabel kunt u algemene informatie terugvinden over de hond.* Een vrouwelijk dier is geslachtsrijp wanneer ze succesvol bevrucht kan worden. Dit betekent niet dat dit het meest ideale tijdstip is voor het dier om drachtig te worden. **Met fokrijp wordt de leeftijd aangegeven waarop de dieren voldoende ontwikkeld zijn om jongen te krijgen. NB: Bij alles in deze tabel gaat het om gemiddelden (verschillen kunnen bijvoorbeeld optreden door verschillen in ras).

Door dagelijkse hoeveelheden voer, bacteriën en mineralen uit speeksel en water ontstaat er plaque op de tanden. Indien dit niet voldoende door de wangen wordt weggemasseerd, ontstaat er een geelbruine harde tandsteenlaag, die we vaak bij honden tegenkomen. Meestal ontstaat dit op de hoektanden en op de achterste kiezen.

Het gevolg hiervan is ontsteking van het tandvlees, met terugtrekking van het tandvlees en loskomen van tanden en kiezen tot gevolg. Verder hebben tandsteen en tandvleesontsteking een doordringende geur door bacteriën. Deze bacteriën kunnen zich via de bloedbaan verspreiden en voor problemen elders in het lichaam zorgen, met name in de nieren en op de hartkleppen.

Het belangrijkste is om te voorkomen dat tandplaque ontwikkelt en zich verder gaat manifesteren als tandsteen. Dit kunt u heel gemakkelijk thuis doen.

1. Poetsen

Net als bij de mens is mechanische reiniging van de tanden de beste methode om tanden en kiezen schoon te houden. Dit gaat het beste met een speciale tandpasta voor honden, maar kan ook gewoon met water. Het gemakkelijkste is om van jongs af aan met de hond te oefenen om regelmatig, op een vast moment op de dag, de tanden en kiezen te poetsen. Dit kan met een speciale hondentandenborstel, maar ook met een vingertandenborstel of gaasje om uw vinger.

2. Speciale gebitsvoeding

In de dierenkliniek is voeding te verkrijgen, die ontwikkeld is om het gebit schoon te houden. Het zijn harde brokjes, met een speciale structuur en grootte, welke ervoor zorgen dat tijdens het kauwen de brokstukken langs de kiezen schuren. Hiermee wordt tandplaque van de kiezen afgeschraapt. Nat en te zacht voer blijven aan de kiezen plakken, waardoor er sneller tandplaque en tandsteen ontstaat.
Daarnaast is het voer zo samengesteld dat het een deel van de bouwstenen van tandplaque wegvangt.

3. Kauwbotten en –staafjes

Tijdens het kauwen op harde oppervlakken wordt zowel door het directe contact van het materiaal met de kiezen, als door de masserende werking van de wangen, tandplaque van de kiezen en tanden verwijderd. Het is evident dat kauwbotjes en staafjes die in een paar minuten op zijn nauwelijks effect kunnen hebben. Een kleine 10 minuten kauwplezier is toch wel een minimum.
Het is ook belangrijk om te realiseren dat niet alle kauwstaven dezelfde werking hebben en dat sommige zelfs behoorlijk calorierijk kunnen zijn. Bij kauwbotten is er nog een extra voorwaarde: omdat deze niet snel verteerd worden door het lichaam, moet er op gelet worden dat de botten niet kunnen splinteren. Indien het bot kleiner wordt, moet deze dan ook weggenomen worden, anders zou het bot in zijn geheel ingeslikt kunnen worden met verstoppingen in de darm tot gevolg.

4. Mondwater

Er is speciaal voor honden en katten mondwater ontwikkeld. Dit kan toegevoegd worden aan het drinkwater. Het mondwater werkt antibacterieel, zorgt dat bacteriën en voedselresten minder gemakkelijk aan de tanden kunnen hechten en voorkomt de vorming van tandsteen. Als aanvulling op het poetsen kan dit ervoor zorgen dat tanden en kiezen schoon blijven.

Een relatief eenvoudige manier om ernstige ziekten te voorkomen is vaccineren. Er kan tegen veel aandoeningen gevaccineerd worden, zoals:

  • Hondenziekte
  • Hepatitis (leverziekte)
  • Parainfluenza (een griepvirus)
  • Parvo (een maagdarm-virus)
  • Ziekte van Weil (leptospirose)
  • Bordetella (kennelhoest)
  • Rabiës (hondsdolheid)
  • Canine herpesvirus

Wanneer we al deze aandoeningen zouden beschrijven zou de tekst erg lang worden. Mocht u meer willen weten over deze aandoeningen, dan kunt u terecht bij het kopje “Ziektekundige informatie” elders op deze internetsite. In de loop van de tijd zullen we proberen van al deze aandoeningen een beschrijving te geven.

Het standaard vaccinatie schema bij onze dierenkliniek is als volgt:

Dierenkliniek Tiel-Drumpt: De entingen die de hond nodig heeft, weergegeven in een tabel

Vroeger waren de black & Tan rassen (zoals de Rottweiler, Dobermann, enz) gevoeliger voor parvo. Ondertussen zijn de genetisch gevoelige dieren ogenschijnlijk uitgeselecteerd. Hierdoor is de herhaling van de parvo-enting op 16 weken, zoals toen geadviseerd werd, niet meer noodzakelijk.
Mocht u toch twijfelen over de mate van bescherming tegen hondenziekte, parvo of hepatitis dan zijn er testen om de immuunopbouw te controleren. Deze testen kunnen desgewenst ook gebruikt worden in het latere leven.

Met de komst van het L4-vaccin tegen de ziekte van Weil is het ook voor de jachthonden niet meer noodzakelijk om 2x per jaar te vaccineren. Mocht dit toch gewenst zijn dan kan het wel.

Het is zaak om de tijdstippen van de vaccinaties in de gaten te houden. Wanneer de hond in het jaarlijkse schema zit en de vaccinatie tegen de ziekte van Weil wordt later dan 1,5 jaar na de vorige gegeven dan dient hij weer 2x gegeven te worden. (NB: de bescherming is één jaar).

Bij de hondenziekte, parvo en hepatitis wordt op dit moment aangenomen dat de bescherming 3 jaar is en dat wanneer het na 4 jaar of later herhaald wordt, het vaccin ook weer 2x gegeven moet worden.

CaniLeish vaccinatie:

Voor dieren die (vaak) naar het buitenland gaan en veel blootgesteld worden aan zandvliegen is het
mogelijk om tegen Leishmania te vaccineren. De eerste vaccinatie kan worden toegediend aan dieren vanaf 6 maanden leeftijd en bestaat uit 3 achtereenvolgende vaccinaties, met steeds drie weken ertussen. De bescherming is 4 weken na de laatste vaccinatie compleet. Dit betekent dat er minimaal 10 weken vóór vertrek naar het buitenland begonnen moet worden met vaccineren tegen Leishmania. Om de bescherming vervolgens op peil te houden, is het nodig de vaccinatie jaarlijks te herhalen. Voorafgaand aan elke vaccinatie moet de hond ontwormd worden en het vaccin geeft alleen bescherming als het dier Leishmania-vrij is, voordat begonnen wordt met vaccineren. Dit kan worden getest met behulp van bloedonderzoek. De Leishmania-vaccinatie kan niet tegelijkertijd met andere vaccinaties gegeven worden, er moet minimaal 2 weken tussen zitten.

Herpes vaccinatie:

Deze is met name bedoeld voor honden waarmee gefokt wordt. Dit om eventuele problemen met herpes te voorkomen of te ondervangen als dit virus in de kennel aanwezig is.

Hondsdolheids-vaccinatie (Rabiës):

Deze vaccinatie is aan te raden voor honden waarmee gejaagd wordt en honden die regelmatig in de grensgebieden met Duitsland en België komen. Daarnaast is deze vaccinatie verplicht wanneer uw hond naar het buitenland gaat. Voor de meeste EU-landen geldt dat de vaccinatie minimaal 21 dagen oud moet zijn en maximaal 3 jaar. Ook dient het dier gechipt te zijn en in het bezit te zijn van een Europees Dierenpaspoort. Er zijn echter specifieke afwijkingen in eisen mogelijk waardoor het verstandig is om u van te voren te laten inlichten. Zo zijn er landen waar een legalisatie van het rabiësformulier door de nVWA (de voedsel- en warenautoriteit, vroeger de RVV) nodig is. Ook zijn er landen waar een rabiëstiter bepaling nodig is. Vaak is er in dit laatste geval ook sprake van een tijdslimiet.
Omdat het blijkt dat de dieren na éénmalige vaccinatie met enige regelmaat niet de door sommige landen gewenste titer bereiken, is het zeer verstandig om de rabiës enting in dit geval na 4 weken te herhalen. Hiermee wordt de kans aanzienlijk vergroot dat de titer bij de bloedafname hoog genoeg is.
Kortom: voordat uw hond op reis gaat, kunt u het beste de laatste informatie opvragen bij de desbetreffende ambassade van het land waar naartoe gereisd wordt (en de landen waar eventueel doorheen gereisd wordt!). Zie de pagina met links om bij de websites van de betreffende ambassades te komen. Ook onze assistentes kunnen u informatie hierover geven.
Soms wordt wel eens vergeten dat deze vaccinatie niet alleen gegeven wordt omdat u uw huisdier mee over de grens wilt nemen, maar dat hij met name gegeven wordt om uw dier te beschermen tegen een ziekte die niet meer te genezen is, indien uw huisdier hem oploopt. Daarnaast is hondsdolheid ook voor mensen een levensgevaarlijke ziekte, die via een beet van een besmette hond kan worden opgelopen.

Kennelhoestvaccinatie: injectie of neusspray?:

Elk van deze twee heeft zijn voor- en nadelen. Welke de voorkeur geniet is met name afhankelijk van de medewerkzaamheid van de hond. De neusspray is wat lastiger toe te dienen dan de injectie. De injectie heeft als nadeel dat deze, als hij voor de eerste keer wordt gegeven, 3 tot 4 weken moet worden ‘geboosterd’, hij werkt ook één jaar. De neusspray werkt na eenmalige toediening een heel jaar, en geeft daarnaast ook een betere bescherming tegen kennelhoest (dat wil zeggen: minder luchtwegklachten bij een uitbraak van kennelhoest dan de injectievaccinatie). Onze voorkeur gaat dan ook uit naar de neusspray. Alleen de honden waarbij het zeer lastig of onmogelijk is om een neusspray toe te dienen, kunnen beter met de injectie gevaccineerd worden. Voor beide is het het meest praktisch om deze enting tegelijk te geven met de standaard jaarlijkse vaccinatie. Zo hoeft de hond maar 1x per jaar te komen voor het vaccineren.

Merilym-vaccinatie (enting tegen de ziekte van Lyme):

Het is voor honden mogelijk om te enten tegen de bacteriën die de ziekte van Lyme veroorzaken. De vaccinatie zorgt voor een opbouw van een immuunrespons tegen Borrelia burgdorferi sensu stricto, Borrelia garinii en Borrelia afzelii.
Bij bepaalde rassen, zoals de Berner Senner is aangetoond dat de ziekte van Lyme ernstige gezondheidsproblemen kan geven. Bij veel andere rassen is het nog onduidelijk of en zo ja welke klachten toebedeeld kunnen worden aan de ziekte van Lyme. Net als bij de mens blijft diagnostiek soms lastig.
De Merilym-vaccinatie kan gegeven worden vanaf 12 weken leeftijd. De eerste keer moet de vaccinatie herhaald worden na 3 weken. Daarna is het huidige advies om de enting jaarlijks te herhalen, bij voorkeur voordat het tekenseizoen begonnen is.
Bij volwassen honden is aan te raden om van tevoren te testen of hij/zij positief is, in het bloed, voor de parasiet die de ziekte van Lyme veroorzaakt. Dit kan met behulp van een bloedonderzoek. Wanneer het bloed geen aanwijzingen geeft voor de aanwezigheid van de parasiet kan er gevaccineerd gaan worden. Helaas geeft een negatieve bloeduitslag geen 100% garantie dat het dier geen ziekte van Lyme kan hebben. Indien de hond wel besmet blijkt te zijn, heeft de vaccinatie op dat moment niet zoveel zin meer. Het blijft dan ook aan te raden om op jonge leeftijd te starten met vaccineren, aangezien de honden dan zelden al besmet zijn.

NB: Let wel, het blijft belangrijk om teken te blijven bestrijden. Ten eerste is er niets wat 100% bescherming geeft tegen de welke ziekte dan ook. Daarnaast kunnen teken ook andere problemen veroorzaken.

Het is erg handig om uw dier te chippen. Wanneer uw dier is weggelopen, kan het zo makkelijker teruggebracht worden, maar ook bij controle aan de grens wordt het gebruikt ter identificatie. Vrijwel elk dier kan gechipt worden. Vanaf 1 april 2013 is het verplicht om alle puppies binnen 7 weken na de geboorte te chippen. Dit gebeurt in het algemeen via de fokker. De pups moeten vervolgens vóór 8 weken leeftijd geregistreerd worden op naam van de (nieuwe) eigenaar, waarbij het chipnummer gekoppeld wordt aan de adresgegevens van de eigenaar. Bij verhuizing of als het dier een nieuwe eigenaar krijgt, moeten deze gegevens worden aangepast. Bij overlijden van het dier moet het chipnummer worden uitgeschreven.
 Honden die geïmporteerd worden vanuit het buitenland, moeten binnen 2 weken worden geregistreerd bij een goedgekeurde databank. Haalt u een hond uit het buitenland naar Nederland? Dan bent u ongeacht zijn leeftijd verplicht de hond binnen 2 weken na aankomst in Nederland te registreren bij een daarvoor aangewezen databank. De hond moet al gechipt zijn om Nederland binnen te kunnen komen. Dieren mogen gechipt worden door een dierenarts of een beroepsmatige chipper.
Het plaatsen van een chip helpt niet alleen om de illegale hondenhandel terug te dringen, maar dient voornamelijk om een verdwaald of weggelopen dier met zijn eigenaar te kunnen herenigen. Er is niets vervelender dan onzekerheid over het lot van je huisdier.
Voor meer informatie: www.chipjedier.nl of www.licg.nl Klikbaar maken

Pups dienen op 2, 4, 6 en 8 weken leeftijd ontwormd te worden. Hierna elke maand ontwormen tot ze een half jaar oud zijn. Daarna minimaal 4x per jaar ontwormen. Indien er na ontworming wormen gezien worden (bijvoorbeeld in de ontlasting), of als de ontworming plaatsvindt omdat er wormen gezien zijn dan moet de ontworming 2,5-3 weken na de eerste wormkuur herhaald worden.
Er kunnen allerlei wormen bij de hond voorkomen. De meest belangrijke zijn de spoelworm (Toxocara canis) en de lintworm (Dipilidium caninum). Bij het kiezen van een goede ontworming moet in ieder geval op deze twee soorten gelet worden.
Spoelwormen worden met het blote oog zelden in de ontlasting gevonden, dit omdat zij het liefst in het lichaam van de gastheer blijven. De lintworm daarentegen wil graag stukjes met eieren naar buiten brengen en deze kunnen actief uit de anus kruipen. Dit zijn de welbekende ‘rijstkorrels’.

De reden dat een pup al op 2 weken leeftijd ontwormd dient te worden, in tegenstelling tot een kitten, is omdat de placenta bij de hond anders is dan bij een kat. Bij de hond kunnen de spoelwormlarven via de placenta de pups infecteren, bij de kat kan dit niet. Een pup kan dus in de baarmoeder al geïnfecteerd raken. Daarnaast worden spoelwormlarven ook via de moedermelk aan de jongen doorgegeven. Door deze twee manieren van overbrengen is vrijwel 100 % van alle pups besmet met spoelwormen.
Omdat de wormlarve in een vroeg stadium een trektocht maakt door het lichaam, is het van belang in het jonge leventje van het dier te ontwormen volgens het bovenstaande schema. Er valt niet te voorkomen dat een pup besmet raakt, maar wat met name bereikt wordt is beperking van de uitscheiding van wormen en wormeieren. Tevens wordt bij regelmatig ontwormen de schade die de wormen tijdens de trektocht door het lichaam veroorzaken beperkt.
Het hele milieu is besmet met spoelwormen (denk aan de grond in de tuin, langs de openbare weg of in de plantenbak). Dit samen met het gegeven dat de huid van spoelwormen bij kan dragen aan de klachten van CARA-patiënten zorgt ervoor dat het nodig is om de dieren het hele leven door te blijven ontwormen.

Lintworm wordt overgebracht door vlooien, dus behalve ontworming is bij een geconstateerde lintwormbesmetting ook een goede vlooienbehandeling van dier en omgeving van belang.

Noot: Bij het kiezen van de ontworming die u wilt gebruiken dient ook gelet te worden met welk type middel u ontvlooit. Dit omdat sommige middelen niet gecombineerd mogen worden. Tevens is het zaak om rekening te houden met het ras van uw hond. Niet elk ras verdraagt elk wormen- en vlooienmiddel.

Castratie/Sterilisatie

In de volksmond wordt bij vrouwelijke dieren over sterilisatie gesproken en bij mannelijke dieren over castratie. Technisch gezien gaat het bij beiden meestal om een castratie. De testikels en de eierstokken worden verwijderd en niet alleen afgebonden.
Steriliseren kan in principe ook, hierbij wordt de hond onvruchtbaar, maar de positieve gevolgen vanwege het wegvallen van de geslachtshormonen worden hierbij niet bereikt.
Voor het wel of niet castreren c.q. steriliseren kunnen allerlei redenen zijn. Een aantal zullen hier de revue passeren. Het is altijd mogelijk om verder op uw situatie in te gaan tijdens een afspraak.

Castratie

Bij de reu: 
In principe is er geen medische reden om reuen preventief te castreren, zoals dat wel het geval is bij de teef. Redenen voor castratie van de reu kunnen zijn; ongewenst seksueel gedrag, aanhoudende of telkens terugkerende voorhuidontsteking en dominant of agressief gedrag. Verder kan castratie geadviseerd worden wanneer er prostaatproblemen zijn en natuurlijk als er problemen met de testikels zelf zijn, zoals tumoren aan de testikels.
Voor castratie van de reu zijn er verschillende mogelijkheden:

  1. Operatieve castratie, waarbij de testikels operatief verwijderd worden.
  2. Chemische castratie, een “tijdelijke castratie” door middel van een implantaat onder de huid of een injectie met een medicijn, waarbij aan de testikels zelf dus niets gebeurt.

Er zijn heel weinig negatieve effecten bekend van chemisch castreren. Het is op de lange termijn wel kostbaarder dan de operatieve variant. Er zijn twee varianten van het implantaat, de ene werkt een half jaar en de ander een jaar.
De injectie met de medicatie werkt ongeveer 4 weken en werkt minder sterk dan het implantaat.
Het voordeel van chemisch castreren is dat de hond hiervoor niet onder narcose hoeft en dat het effect omkeerbaar is.
Zowel de chemische als de operatieve castratie kan vanaf 6 maanden leeftijd worden uitgevoerd.
Een aantal voordelen van castratie zijn:

  • Er is geen vruchtbare dekking meer mogelijk (behalve een korte periode aansluitend aan castratie).
  • Het weglopen vanwege loopse teven vermindert of stopt.
  • Het merendeel van de voorhuidontstekingen wordt minder.
  • De hormoon gerelateerde vergroting van de prostaat ontstaat niet meer (of verdwijnt, indien dit de reden voor castratie was).
  • Doordat de stofwisseling verandert, heeft een gecastreerde reu minder voer nodig. Door de hoeveelheid voer adequaat aan te passen, hoeft een gecastreerde reu niet te dik te worden.

Nadelen van operatieve castratie kunnen zijn:

  • Het risico van anesthesie en chirurgie.
  • Het is onomkeerbaar, maar dit kan ook een voordeel zijn.
  • Mogelijk kan het cosmetische aspect een nadeel vormen; de testikels worden weggehaald, maar de balzak blijft.
  • Gecastreerde reuen hebben meer aanleg om te dik te worden.
  • In zeldzame gevallen kan er verandering van de vachtstructuur ontstaan.
Sterilisatie

Bij de teef:
Hier gaat het niet alleen om de keuze wel of niet te laten steriliseren, maar ook op welke leeftijd.
Voordelen van de sterilisatie:

  • Effectief na één behandeling.
  • Geen kans op ongewenste dracht.
  • Geen loopsheid meer.
  • Indien jong uitgevoerd (zie hieronder) verlaagt de operatie het risico op kwaadaardige melkkliertumoren.
  • Baarmoederontsteking is nauwelijks meer mogelijk.
  • Minder kans op de ontwikkeling van suikerziekte.

Een aantal nadelen van sterilisatie kunnen zijn:

  • Het risico van anesthesie en chirurgie. Bij chirurgie vindt altijd weefselschade plaats, dit heeft tijd nodig om te herstellen. De ingreep bij de teef is een duidelijk grotere operatie dan die bij de reu, hoewel de ingreep minder invasief is als er een laparoscopische operatie plaatsvindt. Wanneer de baarmoeder niet afwijkend is, heeft het de voorkeur om alleen de eierstokken te verwijderen. Dit geeft minder weefselschade en vereist een kortere operatieduur. Het is daarom minder risicovol dan wanneer ook de baarmoeder wordt verwijderd.
  • Het is onomkeerbaar, dit kan ook een voordeel zijn.
  • Het risico op urine-incontinentie. Dit komt gelukkig niet veel voor, maar kan wel. Het risico is ook afhankelijk van het formaat hond, het ras en (mogelijk, maar niet bewezen) het wel of niet gecoupeerd zijn van de staart. Verder is de grootte van het risico ook afhankelijk van het aantal keren dat de teef voor de sterilisatie loops is geweest. Behalve dat grote hondenrassen meer risico lopen (>20 kg volwassen gewicht), lopen de rassen die van oudsher een gecoupeerde staart hebben nog weer wat meer risico. De Rottweiler, Bouvier en Bobtail hebben een kans van 5-10% op incontinentie. De Boxer en Doberman hebben een kans van 10-15% op incontinentie. Andere risicorassen zijn: Ierse Setter, Leonberger, Weimaraner, Riezenschnauzer, maar ook de Dwergpoedel. Overigens treedt deze incontinentie vaak pas een paar jaar na de sterilisatie op. In het algemeen kan deze incontinentie met medicijnen goed behandeld worden.
  • Verandering van de vachtstructuur wordt soms gezien na sterilisatie, bijvoorbeeld bij de Spaniels, Ierse Setters en New Foundlanders.
  • Vaak wordt een toename van het lichaamsgewicht gezien. Dit is echter geheel te voorkomen door de hond regelmatig te wegen en zo nodig minder voer te geven.
    Wanneer een teef niet gecastreerd is, heeft ze meer kans om op een gegeven moment baarmoederontsteking of suikerziekte te ontwikkelen. Wanneer ze alsnog met spoed gecastreerd moet worden, is dit risicovoller dan een preventieve castratie van een jonge gezonde teef.
Hierboven ziet u een ontstoken baarmoeder, gevuld met pus. Deze baarmoeder zou normaal gesproken bijna net zo dun moeten zijn als het potlood dat erbij ligt.
Heeft uw huisdier ergens last van? Aarzel niet en laat het ons weten.